Erfbewoner aan het woord: Ina Stabergh

In 1980 ontpopte lerares Berthy Stas zich tot schrijfster Ina Stabergh. En blijkbaar beviel het schrijverschap, want ondertussen zijn we veertig jaar en talloze publicaties verder. In 2020 verscheen het boek ‘Een leven vol woorden – 40 jaar schrijven’ waarin we heel wat gedichten en verhalen van haar hand lezen, maar ook het relaas van vier decennia schrijven. Gestaafd met talloze foto’s uit de oude en nieuwere doos, biedt dit werk een overzicht van een rijkgevulde carrière die nog lang niet voorbij is!

“Ik ben heel nieuwsgierig en breng bijna een halve eeuwigheid mijn leven zoekend door, om meer te weten, om oplossingen te vinden, om schoonheid te ontdekken.

Kan je wat meer vertellen over ‘Een leven vol woorden – 40 jaar schrijven’?

‘Een leven vol woorden’ zegt veel over 40 jaar geschreven woorden. Natuurlijk moet je ook tussen de regels lezen. Het boek handelt niet alleen over mijn en andermans verhalen (recensies), het gaat vooral over ‘vrijheid’. Woorden die hun vleugels uitslaan en dan wikkend en wegend een standplaats kiezen vooraleer ze hun pootjes zetten op vaste grond. En als ze er dan staan, moeten ze meestal weer een keuzegevecht ondergaan. Er moet dan geschrapt, herschreven en weer geschrapt worden. Tot een volgende dag er zich iets nieuw voegt bij de vorige fragmenten.

Dat dit boek in 2020 verscheen, is niet echt zo toevallig, alhoewel? Ik had al zo vaak de inhoud van mijn kasten doorwandeld op zoek naar… Ja, ik ben heel nieuwsgierig en breng bijna een halve eeuwigheid mijn leven zoekend door, om meer te weten, om oplossingen te vinden, om schoonheid te ontdekken. Tijdens zo’n grote zoektocht als voorbereiding op het schrijven van de historische roman ‘Spiegelhistorie’ (van Karel V tot Filips Willem van Oranje) vond ik stof  voor ‘Toen de post nog brieven bracht’ en mede dankzij die twee boeken werd ik gevraagd voor  ‘De weg naar het Licht’ (400 jaar Augustinessen in Diest). Ik belandde dus in kasten tussen dozen vol brieven, recensies, lezingen, oorkondes en zoveel meer verrassende dingen, dat ik besliste er iets mee te doen.

‘Langs piepende deuren was ik in kamers beland die vol nevel hingen en waar in alle hoeken dozen stonden vol wortels van wat voorbij is en wat mogelijk nog komen zal.’ Die zin zou het begin van een boek of verhaal kunnen zijn.

‘Een leven vol woorden’ is geen afsluiting, wel een samenvatting en een begin om voort te gaan. 40 jaar schrijven in 2020: een jaar vol getallensymboliek (in ‘80 begon ik aan ‘Aan de horizon’), 20 jaar was ik bezig samen met mijn man e.a. met de Literaire kring Apollo Diest.

Was het moeilijk om de selectie te maken?

Het was moeilijk om te kiezen uit stof voor zeker nog een half dozijn boeken en zoveel mogelijke uitgangspunten. Kiezen is altijd moeilijk, zelfs een pen kiezen (ik verzamel pennen) een bril, een uurwerk of een boek. En nu zijn er die tafels vol stapels paperassen die uitdagend liggen te wachten. Wachtend op een teken om te starten? En toen kwam er plots dat virus uit Wuhan en werd 2020 een jaar zoals wij er nog geen hadden meegemaakt.

Voor dit boek groef je diep in je eigen verleden, waarbij je onder meer oude dagboekfragmenten herlas. Dat bracht wellicht een en ander naar boven?

Dat zoeken, vinden, rangschikken, graven, lezen, herlezen, en weer beleven wat aan de basis lag van zoveel drang om emoties te delen, gaf mij een goed en vrij gevoel. Ik wist wel niet meer dat ik zoveel had beleefd, zoveel interessante mensen had ontmoet en de kans kreeg om met hen lange brieven te schrijven. Wellicht had die veelheid aan vroege mogelijkheden het ‘graven’ in gang gezet. Graven naar pijnlijke, moeilijke en mooie ervaringen. Graven naar de geschiedenis veraf en dichtbij.

Zoveel mogelijkheden uit een jong leven tussen zes zussen, in de jeugdbeweging en hoe een dorp meeleeft als een 20-jarige een hersenoperatie ondergaat (begin 1965) en vier maanden later (1 april) kaal geschoren weer naar school gaat. Hoe het was les te geven en te zien hoe God nog heilig was. Hoe je als vakbondsmilitante in het katholieke net echt wel in een web zat. Een stekelig web. Dat kwam plots weer allemaal dichtbij alsof er een film afdraaide. Het verbaast me nog steeds hoe sterk een mens kan zijn als hij doordrongen is van het besef dat hij nuttige dingen doet.  

Ooit werd mij door de Vlaamse Gemeenschap een medaille voor ‘Culturele Verdienste’ toegekend. Groot was mijn verbazing toen ik op een dag een medaille toegestuurd kreeg voor ‘Sportieve Verdienste’. Nadat ‘het euvel’ werd gemeld aan het kabinet van de minister werd de ‘vergissing’ rechtgezet en kreeg ik de juiste medaille. Ook de andere mocht ik houden…

Wat zijn de momenten, publicaties of projecten die je het meest bijblijven?

Wat mij het meeste bijblijft van die 40 jaar schrijven:

De schoonheid (je gaat alles op een andere manier bekijken).

De aanmoediging in familiekring: moeder ging boeken verkopen bij buren en familie.

Dat kinderen uit de familie over mijn werk een spreekoefening gaven op school.            

Ook in eigen gezin waren ze trots en blij als ze mee naar een boekvoorstelling konden gaan. En dat gebeurde minstens twintig keer door de jaren heen.

Ook gevraagd worden voor school- en andere lezingen (minstens 20 keer per jaar) gaf telkens een kick.

En dan al die – bijna of net wel – prijzen in gedichtenwedstrijden.

Heel speciaal waren de talrijke theateropvoeringen van ‘Maskers’ (een bewerking van ‘Help!’).

De jaarlijkse deelname aan de herdenkingsreis naar het concentratiekamp van Neuengamme in de buurt van Hamburg. De dichtbundel die daaruit voortvloeide en de concerten die op meerdere plaatsen werden gebracht zijn onvergetelijk.

Ook de uitgave van een CD met muziek en gedichten uit de bundel ‘Het Oor van Vincent’ die in Zundert (geboortedorp van Van Gogh) werd voorgesteld. 

De aanstelling als Stadsdichter, ook die van Hagelanddichter en de gedichten die daaruit voortvloeiden gebundeld in ‘Pegasus e.a stadgedichten’.           

Ook de jaarlijkse nationale stadsdichterssamenkomsten in Lelystad.                                          

De ‘Wandel- fietsroute’ in Tielt-Winge met 10 permanente gedichten.

De poëzieroute in Diest.

De voorstelling van de bundel ‘Verwondering’ met toespraak en gelukwensen van toenmalig minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke.

De prijzen, oorkondes en vermeldingen zoals ‘Atuatica Tungrorum’ voor de viering van Tongeren 2000 in 1985, en in 1986 ‘Mexico’ voor de Wereldbeker voetbal.                          

De voorstelling van ‘Slippers op de trap’ bij de zusters Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver.

De vele schrijvers die wij met Apollo elke eerste zondag (niet in de vakantiemaanden) uitnodigden in het Begijnhof in Diest. Minstens 400 schrijvers werden uitgenodigd voor een interview, om voor te lezen en te signeren. Telkens kwamen meer dan zestig belangstellenden die achteraf naar de tweedehandse boekenmarkt in de straatjes van het Begijnhof gingen. En dan waren er nog de bijeenkomsten met Apollo-Harderwijk (die identiek bezig waren), en de tweedaagse met Hubert Lampo met wie we prachtige momenten deelden.

De samenwerking met scholen rond het thema ‘Verdraagzaamheid en Burgerzin’. En het leren gedichten schrijven. Vaak in alle klassen van een school (Diest, Peer, Gent, Neerlinter, ..) negen halve dagen per week. Prachtig, al die resultaten en de kaartjes achteraf.       

Ach ja, ik herinner mij ook het voorjaar 1987 in Aalst, waar na de prijsuitreiking van het beste jeugdboek (Bart Moeyaert voor ‘Duet met valse noten’), de jongeren uit Oostende in groep naar mij toe kwamen en zeiden dat ik had moeten winnen met ‘Help!’. Dat hoorde toevallig de juryvoorzitter en hij stuurde me later het juryverslag. Dat gaf me een goed gevoel en meer zelfbewustzijn. Toen besefte ik voor het eerst hoe belangrijk ‘imago’ kan zijn. Naam, uitgeverij, leeftijd en ‘aandacht trekken’.

Toen mijn man en ik tijdens het ontbijt luisterden naar het programma op Radio 1 met Vincent Byloo, dacht ik plots aan nog zo’n mooi moment. Stijn Meuris van Noordkaap kwam hier ooit eens langs om een interview af te nemen naar aanleiding van het verschijnen van mijn roman ‘Een Vrouw van Glas’. Hij werkte toen ook nog als journalist voor Het Belang van Limburg. In de loop van het gesprek vertelde hij me dat hij – tijdens de heenreis – in de verte de grote glazen serre van het Mierenbergpark in Assent had gezien (die serre is dag en nacht verlicht omwille van de zeldzame tropische planten die er in staan). Zij steekt hoog uit boven de huizen van het dorp en is zowat ‘wereldberoemd’ in Vlaanderen.

Ook in het park dat er omheen ligt, staan de meest zeldzame boomsoorten. Een foto van die serre was het ontwerp van een nieuwe platenhoes van hem, onthulde hij. Jaren later hebben wij de gelegenheid gekregen om de serre en het park te bezoeken naar aanleiding van een opendeurdag die werd gehouden door een projectontwikkelaar uit Limburg. Ondertussen is de grote villa, die midden in het domein stond, reeds gesloopt en zijn er zogenaamde ‘parkwoningen’ in de plaats gekomen. Op termijn zal ook de serre verdwijnen om plaats te ruimen voor nog meer huizen. In het resterende deel van het park zullen nog maar enkele bomen blijven staan…

Zo ook met Guy Swinnen van de ‘Scabs’ die destijds in Assent heeft gewoond. Hij ging graag in op onze vraag – vanuit de Literaire Kring Apollo – om enkele akoestische nummers te brengen tijdens de prijsuitreiking van de Nationale Gedichtenwedstrijd ‘Dichter bij Diest’ die wij met de vereniging hadden georganiseerd ter gelegenheid van de Nationale Gedichtendag. De grote Hallezaal in Diest zat die donderdagavond in januari afgeladen vol met jongeren, ouders en andere geïnteresseerden die – ondanks de eerste zware sneeuwval van het jaar – kwamen opdagen vanuit alle windstreken, zelfs uit Nederland. Ook dat moment herinner ik mij nog levendig; het was op die avond dat Guy Swinnen zijn nieuw lief leerde kennen…

Ooit werd mij door de Vlaamse Gemeenschap een medaille voor ‘Culturele Verdienste’ toegekend. Bert Anciaux was op dat moment bevoegd minister voor Cultuur & Sport. Groot was mijn verbazing toen ik op een dag een medaille toegestuurd kreeg voor ‘Sportieve Verdienste’. Nadat ‘het euvel’ werd gemeld aan het kabinet van de minister werd de ‘vergissing’ rechtgezet en kreeg ik de juiste medaille. Ook de andere mocht ik houden…

Op een dag had ik een lezing in een basisschool in Linden (bij Leuven). Op een bepaald moment kwamen een cameraman en een journalist van ROB-Televisie (Regionale Omroep Brabant) de klas binnen om een opname te maken van mijn poëzieatelier dat ik de jongeren gaf. Die jongens en meisjes schreven heel gedreven allerlei vormen van poëzie en als zij een haiku of gedicht klaar hadden, mochten zij het komen voorlezen. Die journalist, met name Maarten Van Gramberen (nu VRT-sportjournalist), was zo erg geïnteresseerd dat hij vroeg of hij, gedurende het resterende deel van de namiddag, in de klas mocht blijven om het atelier te volgen. Ik was daar heel erg blij mee en Maarten bleef uiteindelijk tot de bel ging. Onlangs zag ik hem op televisie tijdens ‘Winteruur’ waar hij het had over het ‘Drama van Meensel-Kiezegem ’44’. Laat dat nu net het thema zijn waar mijn tweetalige dichtbundel ‘Neuengamme – ik kwam terug’ over gaat. Maarten vertelde dat hij geboren is in Meensel-Kiezegem en dat ook zijn overgrootvader bij de oorlogsslachtoffers was. Soms lijkt de wereld toch klein..

Dat ik nu zo speciaal aan vroegere dingen denk, komt wellicht omdat ze zo diep op mijn harde schijf staan gekrast dat ze blijvend zijn zoals een eerste lief (zoals Fred, mijn man wiens interesse nog dezelfde is), zoals een boek dat je niet vergeet (Dostojevsky)… 

Maar er waren ook minder prettige dingen waar ik nu aan terug denk. Bij het verschijnen van het 1ste boek vroeg een collega: ‘Een boek, jij bent toch maar  huishoudkundige (technisch regentes)?

Of het vernemen van het nieuws dat de directrice van mijn school naar de boekhandels van de stad liep om te vragen mijn roman niet te koop aan te bieden…

“Doe wat je graag wil doen en doe het opvallend en goed.” 

In je biografie lees ik dat je al op jonge leeftijd graag schreef en hierdoor ook werd aangemoedigd, o.a. door een zuster waar je les van kreeg. Toch duurde het tot je 35 was voor je aan je eerste boek begon. Heb je er soms spijt van dat je niet eerder begon?

Schrijven is ademen. Dat heb ik altijd al geweten. En toch heb ik gewacht tot ik 35 was om een boek te schrijven. Zo vaak had ik gezegd dat ik wou schrijven tot de jongste zoon (hij was vijf) zei dat ik het dan maar eens moest doen. Verbaasd om zo’n antwoord heb ik me direct op een hoge barkruk (keukenstoel) gezet en in 14 dagen tijd heb ik de eerste versie geschreven. Het was kerstvakantie en de huiselijke taakjes hadden wij herverdeeld.

Ik schreef met vulpen de eerste versie van 100 bladzijden. De volgende vakanties volgden er nieuwe versies. En toen dacht ik er aan dat het goed zou zijn om het te laten lezen door een buitenstaander en eerst te laten typen door mijn jongste zus (die toen 20 was).

Aan wie zou ik het sturen? In mijn collectie schrijvershandtekeningen viel mijn aandacht op Andre Demedts, ik had er eerder al mee gecorrespondeerd. Met zijn leesverslag kon ik voort en ik mocht er een fragment van op de cover plaatsen. Twee jaar later werd het boek  gepubliceerd bij uitgeverij Antiqua in Tessenderlo. Ook de volgende boeken kwamen er terecht. Heel mooi uitgegeven door de uitgeversfamilie Verachtert. Zij bezorgden de boeken ook in de Nederlandse bibliotheken.

Ik stuurde telkens een exemplaar naar O.L.Vr.Waver naar de zusters van Nederlands en psychologie. Zij hadden mij in het regentaat al aangemoedigd om het niet te laten bij verhandelingen, opstellen en discussies. Zij waren vol lof over mijn werk en organiseerden op oud-leerlingendag een tentoonstellingshoekje over mijn boek.

Zalig is dat schrijven, publiceren en respons krijgen en toch heb ik er geen spijt van dat ik niet vroeger begon. Misschien was ik nog te druk met andere dingen, misschien nog te onzeker, misschien had ik die kleine druk van buitenaf nodig om een soort van ‘ik doe het !’ uit te lokken.      

Je hebt, zowel op jonge leeftijd als later, de nodige medische euvels overwonnen. Ook dit heb je gebruikt in je boeken, o.a. in Aan de horizon, Slippers op de trap en de Dag dat alles anders werd. Dat lijkt me niet eenvoudig, om zo’n persoonlijke ervaringen te verwerken?

Misschien heb ik over de medische tegenslagen geschreven omdat ik ze gewoon als een deel van mijn leven ervaren heb, omdat ze zo vaak voorkwamen dat ik er probeerde de grappige kanten van te zien en dat ook vaak lukte. Zo was er als twintigjarige een hersenoperatie nadat ik een half jaar eerder van de Waverse marmeren trappen viel. Ja, de gevolgen van de val kwamen pas een half jaar later toen ik les gaf in Herentals. Na de operatie ( in ‘de préhistorie van de neurochirurgie’ ) moest stapsgewijs alles weer worden geleerd. Toch namen de meest lachwekkende gebeurtenissen de zieligheid weg van het verhaal.

In ‘De dag dat alles werd’ heb ik geschreven over het Guillain-Barré syndroom, wat slechts 1 keer op 100.000 voorkomt, en je ook weer alles moet leren van slikken, voelen, spreken en ga zo maar door tot je weer kunt lopen. Niet alleen een wonder als je nog leeft maar ook als je weer wordt zoals je was vóór die ongeluksdag.

Schrijven over ongeluk, pijn, twijfel of alles weer goed komt, afhankelijkheid enzovoort maken je angstig, nederig en halen woorden met een soort humor naar buiten.

Je hebt altijd veel gecorrespondeerd met andere schrijvers. Wat dreef je hiertoe, en in welke zin heeft dat een invloed op je eigen schrijven gehad?

Ik heb altijd veel brieven geschreven: eerst met mijn lief, van op internaat en vanuit Herentals waar ik een jaar les gaf en voor de week verbleef. Maar er waren al eerder de brieven met schrijvers in verband met schoolopdrachten en een verzameling handtekeningen die ik er aan overhield voor mijn speciale poëziealbum.

Zo heb ik nu mappen vol brieven. Eigenlijk zou ik de moeite moeten doen om ze eens te herlezen. Een van de dikste mappen is die met brieven met Luk de Laat (hij werkte toen als producer-presentator bij Radio 2 Limburg), verwerkt en herwerkt tot het boek ‘Toen de post nog brieven bracht’. Brieven vol geschiedenis uit 1989.    

De allereerste schrijver die we vaak hebben bezocht was Andre Demedts in Kortrijk. Ik zie hem nog zo voor ons staan en hoor weer de verhalen die hij zo mooi vertelde. En de speculaasjes bij de koffie. Zijn verhalen zaten vol sociaal engagement. De meeste van zijn boeken heb ik in mijn boekenkast.

Schrijven is heerlijk. Je voelt je een beetje tuinier, architect en ontdekkingsreiziger.

Je hebt niet alleen een rijkgevulde carrière, maar bent ook zeer ‘productief’. Wat is je geheim?

Nu in 2020 alles binnen, dus in huis of tuin moet gebeuren, wordt alles anders. De tijd vliegt en de dagen hebben hun naam verloren. Nooit eerder heb ik zo ernstig stilgestaan bij de vraag wat ik met mijn leven heb gedaan, als nu in 2020.

Even kijken: wij (Fred en ik) hebben drie kinderen en zes kleinkinderen (we hebben samen gespeeld, geschilderd, verhaaltjes geschreven, geknutseld, enz…).

Ik heb 25 jaar les gegeven aan 13- tot 18-jarigen. School-en andere lezingen gegeven, ook schrijfateliers voor jong en minder jong.

In 1989 -op vraag van Nanda van het Begijnhof in Diest- gestart met het organiseren van schrijverslezingen. Dat hebben we 20 jaar onder de hoofding literaire kring Apollo-Diest volgehouden. 

Meer dan 40 persoonlijke publicaties (romans, dichtbundels…), gedichten, columns en verhalen in tijdschriften en op internet. Ook 23 gedichten op publieke plaatsen (www.straatpoëzie.nl) 

Er was een tijd dat ik vaak ging voorlezen op verplaatsing, mijn man was (is) dan chauffeur.  Bovendien heeft hij veel belangstelling voor mijn ‘spelen met woorden’.  Wellicht is hij de drijvende macht, kracht die mij verder stuwt in de productieve richting en schept hij mogelijkheden zoals tijd, het verwerken van administratie, en het helpen in huis en andere aangelegenheden.

Wat is mijn geheim? Altijd bezig zijn, denk ik. Alleen als ik slaap, is het stil in mijn hoofd. Vroeger bleven zelfs ’s nachts de woorden elkaar in een zin trekken. En als ik dan iets goedklinkend en veelzeggend gevonden had, schreef ik het op en daarna vond ik rust.

Lezen, denken, schrijven en sinds 2005 is er ook schilderen bijgekomen, mogelijk heb ik samen met de kleinkinderen die experimentele fase beleefd. Woorden, kleuren, geuren, muziek zijn belangrijk in mijn leven. 

Schilderen gebeurt met tussenposen. Schrijven doe ik dagelijks, al is het gewoon een blad in mijn dagboek en enkele notities voor een of ander gedicht. Ook lezen doe ik dagelijks én zoeken naar iets dat ik in de drukte heb verloren gelegd.

Zodra ik weet wat ik wil, ga ik, afhankelijk van het boek waar ik mee bezig ben, op zoek naar de nodige informatie, boeken in de bib of in mijn kast.

Toen ik nog uit werken ging, werd het hele jaar door genoteerd en kon er tijdens de vakanties geschreven worden aan het boek. Gedichten konden ook tussendoor.

Nu werkt dat anders. Als iets interessant, opvallend, mooi, een aanzet tot… zich aandient wordt er vlugger mee verder gewerkt. Niets moet. Alles mag.

Vanwaar de keuze voor het pseudoniem Ina Stabergh?

Een pseudoniem heb ik gekozen:

1. omdat ik dacht dat ik dan veiliger en ongekend zou zijn (tegenover leerlingen en directie) maar er verschenen krantenartikels en bovendien ongekend zou niet goed zijn voor de boekenverkoop.

2. Ina zit toevallig in de achtervoegsels van mijn doopnaam (Berthina, Jozefina, Alfonsina) en met Stabergh heb ik de Sta (Stas) van mijn vader en de bergh (van Cauwenbergh) van mijn moeder samengevoegd. Allebei content en het geheel klinkt ietwat Scandinavisch.    

Wat zou je zeker meegeven aan een jongere die graag ‘schrijver wil worden’?

Al wie graag schrijft, moet dat zeker doen. Schrijven is heerlijk. Je voelt je een beetje tuinier, architect, ontdekkingsreiziger en ga zo maar door. Wie graag schrijft moet vooral veel lezen. Lezen voor het plezier, maar zeker ook om iets bij te leren. Al lezend ga je op reis zonder je te verplaatsen tenzij om er een landkaart of wereldbol bij te halen. Al lezend ontdek je nieuwe dingen, leer je mensen kennen. Al lezend leer je zelf schrijven wat je zelf wil lezen of juist niet.

Je hoeft niet direct al bij het begin een heel verhaal of boek of gedicht in je hoofd te hebben: een lokkende, boeiende, beginzin volstaat al om even op adem te komen. Daarna kan je alle kanten uit om het verhaal uit te spinnen. Onderweg kan er veel gebeuren en er is niemand die je tegenhoudt, de weg is vrij. De weg ligt helemaal voor je open…

Je kunt een lezing of een cursus volgen, of een schrijver uitnodigen in de klas of in de jeugdbeweging.

Je kunt ook deelnemen aan wedstrijden of publiceren in tijdschriften, want als je daar op één of andere manier opvalt dan wordt de drang om voort te schrijven almaar groter. Aanmoediging en waardering zijn heel belangrijk.

Wil je graag nog iets kwijt?

Doe wat je graag wil doen en doe het opvallend en goed.  

Ontdek meer over Ina’s werk op haar persoonlijke pagina.



Gepubliceerd door Leen Raats

Leen Raats is copywriter, schrijver, storyteller, ghostwriter en eindredacteur.

Eén opmerking over 'Erfbewoner aan het woord: Ina Stabergh'

Geef een reactie